Binnen 2 uur begin ik aan de laatste 10 km naar Orval. Een week in de rust van de abdijmuren. Een pensioencadeau van de vrienden van Pluba. Met branie vertelde ik hen dat ik hier mijn grote pensioenproject zou uitwerken. Waar sta ik nu ik aan die laatste 10 km begin?
Civiele ruimte en overheid
Wat is al duidelijk? Mijn project speelt zich of in de ‘civic space’. Die moet ik nog precieser definiëren, maar er is al genoeg overgezegd. Het is het speelveld tussen overheid, markt en private levenssfeer. Wie het speelveld betreedt, wordt ‘burger’ met een mening, een drijfveer, een doel… die/dat het strak gedefinieerde private belang overstijgt. In het Nederlands sprekend taalgebied noemt men die ‘civic space’ het ‘middenveld’. In de civic space wordt ‘samenleving’ gemaakt. Mensen doen er dingen voor elkaar, stellen eisen aan de overheid. Heel mijn leven lang ben ik gefascineerd door mensen die zich bijzonder actief tonen op dat middenveld. Mijn oma die een parochiekoor opricht, mijn vader die de missieclub en de wandelclub opricht, mijn tante die actief is in -en voorzitster wordt van- Wederzijds Hulpbetoon, Paula, die buren motiveert om ‘den 2060’ proper te houden, Sus, die een deelwinkel runt…
Voor mijn pensioenproject is één ‘attractiepool’ uit de driehoek waarbinnen de civic space gestalte krijgt, van groot belang. De overheid, of zeg maar even ‘de politiek’. Door die politiek ben ik ook mijn hele leven gefascineerd. Ik herinner me hoe ik als kleine jongen nog even de verkiezingspropaganda doorbladerde terwijl mijn ouders naar het stemhokje trokken. De bomma die het kerkkoor oprichtte, was toen mijn babysittende gesprekspartner. Of toen ik met knikkende knieën als eerstejaars-jongverkenner een Limburgse vlaai mocht bezorgen (de vlaaienslag!) aan een pasverkozen coryfee, nog oud-scout in mijn groep. Ik maakte in mijn professionele leven deel uit van die ‘overheid’, niet in de politiek, soms wel heel dicht aanschurend tegen de politiek.
De verzuiling: mijn vertrouwde normaal
Ik ben geboren in 1962 in Vlaanderen. Dat zegt meteen iets over wat als opgroeiende jongen mijn beeld van een ‘normale’ samenleving en een ‘normale’ verhouding tussen overheid/politiek en de civiele ruimte is. De ‘verzuiling’ is het woord dat hiervoor gebruikt wordt. De sociale strijd die zich in de civiele ruimte afspeelde van het einde van de 19de eeuw tot in de na-oorlogse periode resultuurde in ideologische ‘zuilen’, die ook netwerken van organisaties zijn: mutualiteit, vakbond, kinderkampen… De zuilen hebben hun politieke bovenbouw: de socialistische, katholieke… partij, die de overheid bezetten. De civiele ruimte en de overheid voeden elkaar: vanuit de civiele ruimte wordt politiek personeel geleverd, maar binnen de civiele ruimte wordt ook voor pacificatie én draagvlak voor politieke beslissingen gecreëerd. De overheid maakt de bloei van de verzuilde civiele ruimte mogelijk: met subsidies, maar ook met pacten: de vrijheid van onderwijs, het sociaal pact.
Die ‘normale’ verzuilde samenleving, die ik aantref, is zeker geen ideale samenleving. Dat is ook voelbaar in de opstandige geesten die zich vanaf de jaren ‘70 roerden. Je wil niet van ‘wieg tot graf’ in een ideeënveld zitten dat niet het jouwe is. De ‘ijzeren wet van de oligarchie’ (die ik in mijn vroege sociologenjaren leert kennen) speelt als organisaties machtig worden, en onder elkaar de koek verdelen. Maar ruwweg is het wel een heel vruchtbare bodem voor wie zich als vrijwilliger wil inzetten op dat brede middenveld. Je stapt makkelijk in… er zijn herkenbare organisaties die je met open armen ontvangen… je wordt misschien zelfs ‘gerecruteerd’: als dynamisch leider van de jeugdbeweging wordt je ‘gescout’ voor andere rollen binnen je zuil. Voor sommigen is dat werk in het ‘middelveld’ van de zuil de springplank voor een engagement in de politieke pool van de driekhoek die onze samenleving is. Welke beklemming er van een zuil ook uitgaat, er is een wederzijds voedende dynamiek tussen ‘civiele ruimte’ en ‘overheid’. En vrijwiligers groeien en bloeien… met een groot maatschappelijk rendement.
Democratie: what’s in a name?
Maar hoe zit het verder met die pool ‘overheid’ in ons spanningsveld? We zijn geneigd die te verbinden aan dat machtige woord ‘democratie’. We spreken van in het begin af dat als we over democratie spreken we altijd met twee woorden spreken. Democratie is een feitelijk, observerbaar geheel van instituties en gedragingen, die we ‘democratisch’ noemen. En democratie is een ideaal. Geen enkele feitelijk functionerende democratie vervult het volledige ideaalbeeld dat we van een democratie maken. Dat is een gezond, misschien wel democratisch spanningsveld. Want iedereen (in de civic space) kan de democratie blijven bevragen. Goed zo! Vanuit de comfortpositie die met mijn geboortejaar 1962 verbonden is, lijkt de democratie wél evident. In eigen land -de zeer ruime marge voor verbetering doorgelaten- is de democratie in mijn leven niet bedreigd. Ik heb onafhankelijkheidsbewegingen weten opstaan die (neo-)kolonialisme afschudden en een muur weten vallen die vormen van partij-autocratie afschaften. Ja, en bevrijdingsbewegingen keren zich soms in een autocratisch tegenbeeld, en ja, soms duiken er heel kwalijke autoritaire tendenzen op in de landen die we nu tot het ‘westblok’ rekenen. Maar toch leek het alsof die democratie stapje voor stapje terrein won.
We moeten ons als ‘geboren’ democraat durven afvragen hoe het vandaag met die democratie is gesteld. En er maar meteen het hoge woord uitgooien: is de democratie bedreigd? Wie denkt er niet aan Trump, de 47ste president van Verenigde Staten van Amerika, het zelfverklaarde gidsland van de democratie? Zelfs het ‘nec plus ultra’ van de democratische beginselen -de scheiding der machten- blijkt voor deze machthebber een detail. We kunnen kijken naar de opkomst van extreem-rechts in Europese landen. In sommige ‘voormalige oostbloklanden’ gaven/geven autoritaire leiders een voorsmaakje van het uithollen van de democratie. In Italië is extreem-rechts (voorlopig met enige subtiliteit) aan de macht. In Frankrijk is de vraag: is er nog iemand die Marine Le Pen kan verslaan bij de volgende presidentverkiezingen. Het AfD lijkt de enige Sicherheit in Duitsland. In Vlaanderen blijft Vlaams Belang de stoottroep van het rechtse gedachtengoed, maar bevragen we ons -volgens mij- evenzeer best over de visie op democratie van het meer salonfähige N.VA.
Tot nu toe keek ik naar democratie als naar sisyphus-arbeid… je rolt de steen naar boven… en hij zakt een beetje… je blijft duwen… hij gaat terug omhoog… en zakt een beetje… Eeuwige arbeid. Maar, ‘il faut imaginer Sisyphe heureux,’ zei Albert Camus al. Maar wat als een ander beeld toch veel beter blijkt te kloppen, de democratie als een voortdurend ‘dubbeltje op zijn kant’… het kan zomaar de verkeerde kant opvallen. De opkomst van nazisme en fascisme in onze contreien is nu ongeveer 100 jaar geleden. 100 jaar geleden hebben we (ik was er toen nog niet, de ‘historische we’ dus) ook totaal verkeerd ingeschat hoe snel en hoe radicaal het gaat. Is het dan geen tijd voor een drastische ‘wat als?’.
Terug naar de civiele ruimte
Wat als? Wat als de de ‘overheidspool’ bezet wordt door mensen die met veel klaroengeschal of juist stilzwijgend een loopje nemen met de democratie? Wat gebeurt er dan met het middenveld? Wat voor mij als een paal boven water staat: de relatie tussen de ‘overheidspool’ en het middenveld veranderd grondig. Ik schetste die (in een verzuilde samenleving) als wederzijds beïnvloedend: ze stellen elkaar in vraag, maar geven elkaar ook zuurstof. Dat kan vanuit een zeker aanvoelen en handelen vanuit gelijkwaardigheid. Van die gelijkwaardigheid is in een autoritair systeem geen sprake. Er is de ‘elite’ en er is het ‘volk’. De ‘elite’ is wie nu toevallig de macht heeft, de volle verantwoordelijkheid van die macht aanvaard, en juist omdat ze die verantwoordelijkheid neemt, ook mag heersen over het volk. Dit is heel rudimentair samengevat wat voormalig kabinetschef Cultuur Joachim Pohlman uit de doeken doet in ‘Volk en Elite’.
Natuurlijk is die ruimte tussen de 3 polen niet weg. Kijken we naar de opkomst van het nazisme dan is juist de strukturering van mensen die hun ‘private levenssfeer’ verlaten, en beginnen te participeren aan het grotere verhaal van het ‘volk’ van wezenlijke betekenis. De Hitlerjugend en de Bund deutscher Mädel, maar ook de SA zijn niet meer of minder dan mensen die bewegen op dat ‘middenveld’.
En natuurlijk is er afkeer over het basisprincipe en zeker de excessen van autoritair bestuur. Ik steek er mijn hand voor in het vuur dat veel van de huidige trekkende vrijwilligers in de civiele ruimte hun afkeer voor een autoritair ingevulde overheidspool heel sterk voelen, en hun engagement mee schragen op die sisyphus-arbeid voor een beetje democratie. Voor heel wat vrijwilligers is ‘meer democratie’ mee een drijfveer van hun engagement, en het concrete ‘kleine’ ding dat ze dan doen, dat ‘steentje’ dat ze bijdragen of verleggen in de rivier. Er is afkeer… is er ook verzet? In het onderuit halen van een uit de handgelopen autoritaire politieke pool is altijd ‘verzet’ nodig. (Of intern verzet ‘voldoende’ is, is een andere zaak… de Amerikanen en de Russen hebben Europa ‘bevrijd’ van nazisme en fascisme. Maar zonder interne voedingsbodem krijg je de democratie ook niet geïnstalleerd.)
Tijd voor de boude stelling.
De democratie is een dubbeltje op zijn kant. Ook in onze contreien. Het kan dus de verkeerde kant opvallen. Als (of wanneer) het de verkeerde kant opvalt, is een cruciale vraag of en hoe het verzet georganiseerd raakt. Een grote poel van ‘democratie-adepten’ zit bij de mensen die nu in de civiele ruimte belangrijk vrijwillig engagement opnemen. Een cruciale vraag is of uit deze ‘poel’ van mensen ook mensen opstaan die het ‘verzet’ organiseren, en dit met voldoende slagkracht (dus ook anderen hier in ‘meetrekken’ doen.
Tot nu toe bekeek ik de bedreigingen van de democratie van binnenuit. Ik wil zeker ook de bedreigingen van buitenuit incalculeren. Er is een oorlog in het Oosten. En de autoritaire Russische leider kijkt gretig naar uitbreiding van het conflict. Dat moeten we niet ontkennen. Wat de geschiedenis ons leert, is dat een oorlog nooit twee keer op dezelfde manier wordt uitgevochten. Het woord dat voor de nieuwe oorlogsvoering gehanteerd wordt is ‘hybride oorlogsvoering’. Dat is een oorlog die minder nog dan vroeger zich op het front afspeelt, maar zich juist veel sneller nestelt in het zenuwstelsel van de samenleving. Daar dus, waar vrijwilligers een cruciale rol spelen. Wat als de hybride dreiging reëel wordt? Kunnen vrijwilligers dan schakelen?
Om onze samenleving weerbaar te houden, moeten we over deze vraag nadenken. En daarom moeten we ook onze kijk op vrijwilligers aanscherpen. Mijn stelling daarbij is dat vrijwilligers in hun vrijwillig engagement vaardigheden/competenties ontwikkelen die ook essentieel zijn op het moment dat ze in ‘verzetmodus’ gaan. Mijn stelling is ook dat deze competenties op dit ogenblik onvoldoende vanuit dit perspectief benoemd en geïnventariseerd zijn. En dat betekent dat we minder goed voorbereid zijn om de switch naar de verzetsmodus, die er misschien ‘seffens’ aan komt.
Dit wil ik in de Orvalpapers verder uitklaren.